dichtbij

met dit goed weer kan je haar het best

ruiken en voelen, bij haar zelfs aanleunen,

je in haar kneedbaar lijf nestelen

of je hoofd op haar schouder leggen.

 

jaag haar niet weg met zonnige taferelen

van kortstondig geluk, met je mierzoete herinneringen

aan de tere huid van je eerst of laatstgeborene,

wat weet je er nu nog van. vrijwel niets.

 

toon dat je blij bent met haar komst, vertederd

door haar offer om je plaats voortaan leeg te houden,

je pijnbeurs te legen. daarom sta je paraat voor je dood.

je kijkt haar recht aan en zegt: zo. wat ben je dichtbij.

Advertisements

***

je onvermogen. om te zijn waar je wil zijn, om te zijn wie je wil zijn. kies maar.

de zoektocht naar de verklaring voor (van) je onvermogen. the tricky part. niets tricky, gewoon schaduw en sluimer, wat is daar nou tricky aan, niets, zeg ik, niets. ik zeg niets. ik hou op om mezelf te verantwoorden. je wordt daar ziek en moe van. voortdurende verantwoording als gevolg van dwangmatige psychoses. als gevolg van tirannie, in je huis, in je gezin, in je stad, in je land. wat weten ze hier van tirannie, die slapende vissen, die slappe kikkers. (hier niet verder uitgewerkt om de vrede tussen volkeren te bewaren)

je onvermogen om te schrijven. letterlijk: hoe graag je ook verder op papier in je boekjes zou schrijven in plaats van in een blog, kan je toch geen pen of potlood lang genoeg vasthouden. figuurlijk: het zwijgen opgelegd. hij zegt: jij bent echt voor het geluk geboren jij. en je gelooft hem, je kan daar toch niets tegen inbrengen. het zwijgen is gelegd, een zwart ei waar je nog jaren op moet gaan zitten voor het uitkomt: ik ben dit ei. er moet gesproken worden. eindeloos, doelloos, onwetend, onnodig. een waterval aan overbodige woorden, beloftes, eden. er is niets aan te doen.

doe toch gewoon. doe eens normaal. vergeet de tirannie van je zwart gat, van het woord, zoals velen kunnen. klap eens open, mijn roos.

maar je onvermogen groeit.

Teodor Currentzis

in Bozar. magnifiek. een lange zwarte sprinkhaan, voetstampend en ellebogenwijzend. dunne onderbeentjes, meezwaaiend haar. enigszins diabolisch en helemaal badass.

zijn soliste in een rood-wit trouwkleed, even wild, even springlevend. krijsend en snerpend viool, teder en zalig viool, viool-viool.

Berg en Mahler zijn toch misplaatst, met oudere genieën gaan ze ruwer en dwingender om. maar het genot van een geweldige uitvoering, niet al te lang, zodat je rug gespaard blijft, en goede akoestiek. en het schouwspel van de parende sprinkhanen.

(en natuurlijk de stank. de publiek is grotendeels boven 60 en – god weet waarom – hoe ouder de vrouw, hoe meer ze zich besproeid. in de hoop aantrekkelijker te zijn? of om de geur van ouderdom te verbergen? drie stoelen verder zat een vrouw met zo’n winkelgeurtje op, dat met elk haar beweging een walm me omarmde en het prikte me niet allen in de  neus, maar zelfs in de ogen. de dood is de genade.)

even realistisch: hoeveel zou het kosten om een orkest met al zijn instrumentarium vlug van Perm naar Brussel te verplaatsen en terug? hun eten en onderdak geven om maar eens te laten optreden? hoe geweldig is dat je het kan zien, op een doordeweekse avond, even een wereldklasse opvoering van een concerto die je niet eens erg mooi vindt, en je eigenlijk  voor de schouwspel van dirigent en zijn soliste gaat eerder dan voor de muziek? hoe verantwoord is dit?

(je twijfel is je schuld. wees zekerder in je verlangens.)

rot op

maar wat zeg je anders als mensen rond jou beginnen doodgaan en er niet meer mee willen ophouden?

het begin is er vaak. het einde ook. maar alles daartussen ontbreekt. het gewicht van een uitgehold (klein)dochterschap: je moeder alleen voor haar dood, je vader in zijn eentje voor zijn duivel, en baboushka, rottend en zwellend op haar divan, – zij, de oudste, is ook de laatste. waar nog hoop was dat ze niet alleen zou zijn,  daar is er geen hoop meer. je oom en haar zoon, haar kleintje, haar toeverlaat, laat zijn moeder blijkbaar al jaren links liggen en geeft de laatste centen uit op kattenvoer voor zijn zes beesten. wat een kutjong.

dat hopje haar en huid, zwetend op het ziekenhuisbed. het is gewoon om in de kou te liggen, als sinds september moest er in het leemhuisje gestookt worden, maar er is geen hout en er is geen geld om het hout te kopen, er zijn te veel katten om er geld aan over te houden. wat een geluk. dat ze in het ziekenhuis gestorven is, dat ze niet opgeknapt en terug in haar bevroren tombe gestoken werd, om daar bepist en besproeid te gaan liggen tot haar ledematen zwart kleurden en afbrokkelden. enfin, die ledematen waren al zwart toen ze opgenomen werd. maar ze lag daar ten minste droog en aan de zuurstof, er werd haar door de lotgenoten te drinken gegeven. de kutjong piepte eens per dag door de deurspleet of ze er nog ligt, maar kwam niet nader.

had je het allemaal liever niet geweten? was je graag in je illusie gebleven waar een zorgzame (kut)jong zijn moeder verzorgd zodat ze zo lang mogelijk blijft leven, omdat hij nooit gewerkt had en dankbaar is dat ze hem al die jaren onderhouden en verzorgd heeft? dat had je liever, ja.

je bent echter een illusie armer. dag, gat! hoe heb jij zo snel kunnen ontstaan?

er wordt verdomme stevig aan jou gerukt: de kinderen trekken de ene kant op, het werk de andere. en de overheersende schuldgevoel dompelt je om de vijf minuten in een gepersonaliseerde pijnstroop. daar zeugt iets, onder je ribben. daar trekt iets langs je linkerarm en de borst in. ademen wordt een kunst. ‘als’en en ‘mischien’en schieten als paddenstoelen uit de grond. je gaat liggen en wacht. hoewel je niets meer hoeft.

stank

stank zou een krachtige motivatie kunnen zijn. helaas niet krachtig genoeg om je leven te veranderen. wel goed genoeg om plannen te maken over godverdomme nooit meer in Brussel te moeten gaan werken en zich van de krioelende smeuïge massa te ontdoen.

allesoverheersende stank, vooral op het station: plastieken kleren, plastieken tassen, plastieken mensen. vrijwillig bespoten met kunstmest van ettelijke euro’s per 50 milliliter, besmeerd met chemische zalfjes om er piekfijn uit te zien, maar smeulend en rottend vanbinnen. het roken, het drinken, het slikken en de rokers, de pissers en de brakers. en de wonderlijke bereidwilligheid van mensen om lichaamsvreemde voorwerpen die eigenlijk het eten, drinken of inademen niet waard zijn toch in hun lichaam te stoppen, langs welk gat dan ook.

dag, gat! hoe gaat het vandaag, gat?

dat gat dat dus nooit opgevuld raakt. comfort eating, tinder fucking, always sleeping like tender, porcelain dolls. we need to be glad, gladder, het gladst, we snijden wat af waar er te veel is, we zetten wat aan waar er tekort is, we schreeuwen vooral veel en luid rond over wat we allemaal bereikt willen hebben, we pakken ons in en we zijn klaar om genomen te worden, te grazen.

(later, fietsend naar huis: stank. uitlaatgassen, stank van Stella, stank uit de frituur, stank van opgebrand vlees, stank van opgebrand rubber, stank voor dank, uitlaatgassen, uitlaatgassen en uitlaatgassen)

schrijf vooral niet in de trein, toe nou. schrijf thuis, als de kinderen in bed liggen, na een deftige meditatie, na een tas kalmerende thee. als het gat net iets minder gaapt.

het gejank van een piepklein, van honger stervend poesje overstemt de kille ijzeren ‘wekomenaaninleuven’ en je kijkt verbaasd rond op zoek naar het diertje. een man ver boven de pensioenleeftijd neemt zijn mobieltje op en het gemiauw houdt op. wat bezielt zo’n mensen? zijn het mensen? hebben ze nog een ziel? of alleen maar een facebook-getetter-netflix account?

 

zwemslagen

dat je je kleurige en luchtige zielsbestand maar blijft inpompen in dat zwart zuigend gat, – je pompt en je pompt de hele geurige en krakende dagappel rond, en als je even niet oplet omdat je te moe bent, dan zuigt het je mee, slurpt het je op, en mag je nog harder werken om het hoofd boven water te houden, en driftig borstslagen of zijslagen of kantelslagen om tot aan de oever te geraken,  zich als een walvis op de oever uitwerpen en doodgaan.

doodgaan met het gemak van ademen.

anderzijds: heb je ooit eens een mens gezien zonder die lagen verdriet, afwijzing, teleurstelling, angst, kleinzerigheid? neen. heb je ooit eens een sprong gewaagd in je zoektocht naar een niet-gelaagde mens? heb je buiten je blikveld gekeken, heb je moedig in dat zwart gat gesprongen, je laten onderdompelen door weemoed om toch je begeerde parel te kunnen uitvissen? neen. dat had je niet gedurfd. je voedt dat zwart gat kleine stukjes geluk, het is je accijns om op afstand te kunnen blijven. om niet besmet te geraken.

dag, gat! hoe gaat het, gat? hoe zijn we er vandaag aan toe?

de grootmoeder hangt er als een lappenpop bij het plafond, in de linkerhoek van de kamer en blijft de hele tijd lichtjes met haar hoofd schudden. neen, neen, dat had ik niet verwacht, dat alleen in het ziekenhuis sterven, dat verdrinken in je eigen vocht achter de longen. had toch zwemmen geleerd.

je zwijgt terug. je had gisteren het wijwater meegekregen, maar die werd zonder meer bij de afwas weggespoeld . spreken we dan af dat je je nog even bewust moet blijven van je vloek, van al dat water. spreken we deze keer af dat wegkijken geen optie is.