waar was je

niet te verklaren. zo vergeten als ze mag zijn, het ogenblik van haar terreur, was ze toch niet daar. dat is wat de meesten onder ons zou teleurstellen.

waar was je dan?

 

daar, waar denk je?

 

een strook witte vettige buik zou wie dan ook teleurstellen.

 

anderzijds;

 

waar was je eigenlijk?

 

kom dan bij mij, dichter, dichterbij, begin maar te dichten, met alles wat je hebt, ogen neus borst handen voeten geur macht overmacht wijsheid heb je die daar twijfel ik aan hoe kom je nog vrij en vleugelig van dit af zonder eerst in de modder te belanden en ik hou van je en wil je geen pijn doen en er hangen vogels en sterren boven ons en drinken onze levens op en smaken ons uitstekend en wat nu te doen dan te slapen en dromen dat dit allemaal niet godverdomme gebeurd was en we niet gesmolten waren en dat er geen dag of nacht was en dat de vogels boven ons zweven en sterren onder ons branden en dat we die zonnige dagen gesmokkeld hebben en die regenachtige dagen hebben opgedronken  en dat het allemaal zo was eenmaal, andermaal

Advertisements

***

maar godverdomme.

watitsdatallemaal?!

 

een kameraad daalt de tuin af

een onafgesproken afspraak

met een derdewereldmacht

 

er hangen lijken van de perenbomen af

hij heeft leverage schrijft een dichter

 

het vuur is aan, lang zal het niet duren,

schrijft hij, de soep is bijna klaar en het janken

en treuren hoor je straks haast niet meer

 

alles is kuis, klaar is kees, waar was je geweest

 

 

 

een leerzame ervaring

hoe je rent en holt, jaren, jaren aan een stuk, en denkt verder te zijn geraakt, weg van dat land, van armoede, van honger, je kon gaan studeren, je hebt werk, je bent niet ergens op straat beland, bedelend of prostituerend, het is je gelukt om dit evident lot te ontlopen en zelfs ervoor te zorgen dat je eigen kinderen geen honger hoeven te lijden, dat ze tijd en ruimte hebben om kind te zijn, je oudste kon naar de muziekschool, naar een sportschool, naar theater, hij zit op een school waar hij ook graag zit, hij mag zijn wie hij is en hoeft zich niet te verschuilen, je jongste speelt met ecologisch en verantwoord speelgoed, loopt in vrolijke kleertjes rond, wat een mooi meid, zegt men vaak, ze is mondig en slim en mag gevoelig zijn en hoeft niet gedrild te worden, en je rent en holt steeds verder, weg van de afschuw, van de dood, van het geweld thuis en op straat, het lijkt je dat je het allemaal achter de rug kan laten, je hebt nu je nest, het gaat niet altijd even gemakkelijk, maar dat is normaal, iedereen heeft wel hier en daar moeilijke momenten, je valt en staat op, en dan val je nog eens en nog eens en nog eens totdat je leegbloedt en niet meer kan opstaan en dan achterom kijkt en ineens beseft dat je toch met je eigen vader getrouwd bent geraakt.

hoe het niet uitmaakt dat je leert om je anders dan je moeder te gedragen, ruimer denken, vergeven, begrip opbrengen, en vooral jezelf niet blijven herhalen, leren van wat er gebeurd is en anders reageren, en hoe het allemaal godverdomme geen klote uithaalt als de ander in zijn lus gevangen wil blijven zitten en zich niet beroerd voelt om zijn helcirkels met de regelmaat van de klok af te lopen en iedereen met zich meesleuren. hoe je gisteren voor de laatste keer alleen in de keuken gehuild had, en doe niet alsof het daarom is, maar op het moment van dat besef: ik ben met mijn vader getrouwd, knakte er iets vanbinnen en werd alles stil. je zag het ook weer voor je, hoe identiek zijn de gezichten en woorden van nu aan die uit je kindertijd. hoe onvoorstelbaar mooi alles in elkaar past dat je toch op een bepaald ogenblik een volkomen replica van je kindernachtmerries voorgeschoteld krijgt, alleen in een andere taal. het kost je nauwelijks moeite om het in je moedertaal om te zetten. dit moment van besef; niet al die talloze keren wanneer het je schijnt te zijn, wanneer je voor jezelf en voor de ander excuses verzint, omdat het te moeilijk en omslachtig is om uit elkaar te gaan, zelfs lijkt het misschien wel iets te fel op wat je al meegemaakt had, zelfs had je gezworen om nooit en nooit iemand toelaten om zo met je om te gaan, had je jezelf beloofd nooit meer op je moeder te lijken; neen, slechts dit moment van besef: knak: ik ben met mijn vader getrouwd – dit is het einde.

en hoe je daarna gehuild had, niet om het einde van je relatie, daar is het al te laat voor, dat is een stomp die geen pijn meer doet, laat maar los, ga, ren en hol, neen, om de pijn van je moeder, om het glashelder begrip waarom ze zoveel jaren met die klootzaak samen is gebleven: als hij het toch doet, wat zeg  ik dan tegen mijn kind? dat psychologisch en lichamelijk geweld te verantwoorden is door de angst voor de toekomst. hoe je het haar durfde te verwijten, waarom ben je van hem niet weggegaan, omdat je van je vader erg hield, zei ze stil. je ziet het ook even glashelder voor je: zij die zegt dit kan niet blijven duren, ik wil uit elkaar, en hij die zegt dan maak ik me van kant.

zodra je weet waarom het pijn doet, doet het gelukkig geen pijn meer. de drijfveer is kapot. je hoeft je niet meer laten leiden door de pijn die heel je lichaam en brein verrekt, en kan doen wat moet. je staat er alleen voor, dat weet je, maar dat is ook niet anders als de ander naast je is want je bent al lang eenzamer dan toen je hem in je leven niet had. de terreur en chantage zijn al een tijd de meester en van liefde is er geen sprake meer. zullen we het een leerzame ervaring noemen? durven we dat?

afwijzing

(verdraaid) gedroomd dat ik in plaats van een geslachtsorgaan een nest aardbeien (aambeien?) had. rood, gezwollen, zoet ruikend, maar ik kon daar niets mee aanvangen. hoe ik ook wrong, duwde of draaide, kwam ik maar niet klaar.

een terugkerend nachtmerrie: ik ga naar baboushka in de zomer, zo’n 10 eeuwig uur in een zwetend en schokkend bus en dan ben ik er, ik loop naar de poort, smijt die open, gooi mijn tas neer bij de deur, groet haar nauwelijks en snel door naar de moestuin – om van de eerste aardbeien te proeven. ze blijken echter smakeloos en waterig te zijn en ik begrijp dat mijn zomer voorgoed om zeep is, dat er geen hoop op de zomer meer is.

de zomer is er weldra. je kan terug, je hebt al tickets gekocht. je weet wel niet wat je te wachten staat, maar dat weet je tegenwoordig gewoon niet meer. het kan zijn dat je vlieger niet meer vliegt. dat je te ziek bent om te gaan. dat hij te ziek is om je te laten gaan. dat je ineens een ander huis, ander werk of een ander jij moet gaan zoeken. er is geen zekerheid, nooit geweest, maar deze keer net iets nooiter dan anders.

zoals vanavond: je hebt voor Pasen een pastei gebakken met engeltjes van zoet deeg, maar omdat het Geëgelte van net 2 jaar oud in bed gestoken moest worden, heeft de pastei èèn minuut te lang in de oven gestaan en zijn de engeltjes de Zwarte Pietjes geworden. durf je daarmee morgen de straat op?

en als ik mijn santokumes in de holte onder de keel steek en tot ongeveer waar de aardbeien zitten duw, houdt dan alles eindelijk op?

Gwy Mandelinck

Nature Morte

 

Op koevoet langs een huizenrij,

kraken wat verborgen bleef.

 

Stilleven getralied: men

fladderde de kooien leeg,

 

knipte vlechtwerk van touwen

door, uit nevel van

 

gif een halsband geademd.

Rest de schim van wie verdween.

 

 

Натюрморт

 

С “ломиком” вдоль ряда домов, 

взломать что притаилось.

 

Зарешеченный натюрморт: они

вытряхнули все клетки,

 

разрубили все узлы,  в ядовитом

тумане каждый выдох  –

 

дымовое кольцо, ошейник. 

В остатке лишь тень пропавших. 

 

***

in het derde of in het vierde persoon; hoe dan ook. het zoog en het zoog.

‘s nachts, als je met je gezicht tegen het raam ligt, laten de lichtsporen van de auto’s je niet los. sluimerend droom, lichtflits, klappend, hard, harder klappend hart, wake me, shake me.

tegen de muur is je slaap iets standvastiger, je waakt stadig over jezelf, zo’n halve meter erboven op. bovenop wat? dat. kan ik dat zijn? dat stuk walvis, dat gebochelde onder het linnen. who. else. kijk jezelf eens nuchter aan. benen, armen, kont, rug, hoofd. kan ik dat zijn?

hoe hij daar ook altijd lag, een vreemd stuk mens. je zag nog soms zijn blote afgedragen voetzolen, en verder de berg op: kuit, knie, dij, schouder en zijn kort stekelig haar, een bosomranding van zijn weggezopen gezicht. als kind wen je eraan, aan de afwezigheid, de stank, de kleine oogjes, de honger en weet je niet beter. je weet wel dat de honger uit dat groot mens komt dat niet in staat is om op te staan en gaan werken, eten voor je kopen, eten voor je klaarmaken. je wacht op de moeder, ze brengt wel iets mee. je sluipt door het huis en hoopt om de hongermeester niet wakker te maken met je rommelend maagje, je drinkt wat warm water.

wat als de moeder niet komt. verlamd kijk je de voetzolen aan. dood is onze Ivanchik dood! onze Ivanchik is er niet meer!  stiller dan stil tel je de zwarte oogjes op de houten vloer en wacht op je vriend. hij komt, vleugels netjes gevouwen om met geen geritsel de slaap van de hongermonster te verstoren, legt zijn zware hand op je hoofd en laat je indommelen, maakt je wachten onwerkelijk pijnloos en kort.